Slaagkansen

Slaagkans bij inseminatie 

Bij een inseminatie wordt het sperma eerst voorbereid of "gecapaciteerd", waarbij de meest beweeglijke en beste zaadcellen worden geselecteerd. Dit gecapaciteerd spermastaal wordt hoog in de baarmoederholte gebracht met een dunne katheter.

Voor de slaagkansen wordt er een onderscheid gemaakt tussen IUI (intra-uteriene inseminatie, met sperma van de eigen partner) en KID (kunstmatige inseminatie donor, met sperma van een donor). De slaagkansen bij een KID liggen merkbaar hoger dan bij een IUI. Dit komt enerzijds omdat het om  een andere populatie (grotendeels alleenstaanden en lesbische koppels) gaat en anderzijds omdat het donorsperma vooraf onderworpen wordt aan een strenge selectie.

In onderstaande grafieken worden enkel vrouwen beneden 40 jaar in rekening gebracht. Voor vrouwen ouder dan 40 jaar liggen de slaagpercentages bij zowel IUI en KID lager.

Uitleg grafiek:

Het percentage zwangerschappen met foetale hartslag bij IUI wordt uitgezet tov het aantal inseminatie cycli voor vrouwen beneden 40. In de grafiek worden optimale schattingen (optimistisch cumulatief) gebruikt. Hierbij gaat men ervan uit dat vrouwen die de behandeling stopzetten dezelfde kans op een zwangerschap (met foetale hartslag) zouden hebben als degenen die de behandeling voortzetten.

Na 4 IUI-cycli is er bij een vrouw beneden 40 jaar 34% kans op een zwangerschap met foetale hartslag (optimistisch cumulatief).

Na 3 - 4 IUI-cycli wordt er volgens het protocol overgegaan naar IVF/ICSI. Aangezien een 5e en 6e cyclus in normale omstandigheden niet wordt uitgevoerd, wordt deze in een stippellijn weergegeven.

Slaagkans bij inseminatie met donorsperma 

Uitleg grafiek:

Het percentage zwangerschappen met foetale hartslag bij KID wordt uitgezet tov het aantal inseminatie cycli voor vrouwen beneden 40. In de grafiek worden optimale schattingen (optimistisch cumulatief) gebruikt. Hierbij gaat men ervan uit dat vrouwen die de behandeling stopzetten dezelfde kans op een zwangerschap (met foetale hartslag) zouden hebben als degenen die de behandeling voortzetten.

Na 6 KID-cycli is er bij een vrouw beneden 40 jaar 65% kans op een zwangerschap met foetale hartslag (optimistisch cumulatief).

Slaagkans bij IVF/ICSI

Bij een IVF/ICSI behandeling worden meerdere eicellen tegelijkertijd tot rijping gebracht. Net voor de eisprong worden deze eicellen gecollecteerd via een pick-up en zullen de eicellen geïnsemineerd worden met het sperma. Dit sperma werd eerst voorbereid of "gecapaciteerd", waarbij de meest beweeglijke en beste zaadcellen worden geselecteerd.

Bij IVF worden de eicellen en de zaadcellen bij elkaar gebracht en verloopt de bevruchting spontaan.

Bij ICSI (intracytoplasmatische sperma-injectie) wordt één zaadcel geselecteerd en met een fijne injectienaald in de eicel ingebracht.

Indien er bevruchting optreedt, worden de embryo’s verder in kweek gehouden in het IVF labo. Op dag 3, dag 4 of dag 5 in de ontwikkeling wordt 1 (in sommige gevallen 2) embryo(‘s) teruggeplaatst in de baarmoeder. De dag van terugplaatsing is afhankelijk van het aantal beschikbare embryo's, eventuele voorgaande pogingen en wordt dus bij elke cyclus individueel bekeken.

De overige embryo’s worden, indien van goede kwaliteit, ingevroren op dag 5 of dag 6 van de ontwikkeling. In een ontdooicyclus kunnen deze dan ontdooid en teruggeplaatst worden.

Jaarlijks bezorgen de Belgische IVF centra hun resultaten aan Belrap (Belgische Rapportage), dat de cijfers registreert en het totale gemiddelde overmaakt aan de centra.

In onderstaande grafiek worden optimale schattingen (optimistisch cumulatief) gebruikt. Hierbij gaat men ervan uit dat vrouwen die de behandeling stopzetten dezelfde kans op een levende geboorte zouden hebben als degenen die de behandeling voortzetten.

De grafiek includeert vrouwen die een eerste IVF/ICSI cyclus hadden tussen 2017 en eind 2019 en de opvolg tot eind 2020. Voor ZOL is er geen enkele vrouw die tussen 2017 en eind 2019 een totaal van 6 cycli heeft ondergaan, vandaar dat de blauwe lijn stopt bij 5 cycli.

Na een eerste cyclus (verse cyclus + ontdooicycli horend bij deze cyclus) kunnen we stellen dat de bevallingskans 40% is, terwijl het gemiddelde in België 35% bedraagt. Ook bij de 2de tot 5de cyclus is de bevallingskans groter in het ZOL.

© 2024 Ziekenhuis Oost-Limburg