Het verhaal van prof. dr. Vandervoort die met pensioen gaat
Toen echocardiografie eind jaren 80 zijn intrede deed in de klinische praktijk, stond de discipline nog in haar kinderschoenen. Vandaag is beeldvorming onmisbaar in de cardiologie. Prof. dr. Pieter Vandervoort stond mee aan de wieg van deze evolutie in ZOL. Na een carrière van meer dan dertig jaar blikt hij terug op pionierswerk, technologische vooruitgang en de toekomst van gepersonaliseerde zorg.
Het echolabo van ZOL bestaat 30 jaar. U heeft dit uitgebouwd vanaf de start?
Ik ben destijds naar ZOL gekomen om een echolabo uit te bouwen. Echocardiografie is een relatief jonge discipline. Dit onderzoek maakt gebruik van geluidsgolven om de structuur en werking van het hart in beeld te brengen. De technologie werd ontwikkeld in de jaren 70 en 80, maar vond pas eind jaren 80 haar weg naar de cardiologische kliniek, aanvankelijk enkel voor diagnostiek. Cardiologen waren toen nog niet opgeleid om hier het maximale uit te halen.
"De beeldkwaliteit blijft verbeteren en we staan voor de integratie van artificiële intelligentie."
Na mijn opleiding aan de KU Leuven heb ik mij in de VS verder bekwaamd. Eerst tijdens een fellowship van twee jaar in Boston, in het Massachusetts General Hospital, en daarna in de Cleveland Clinic. Daar bouwde mijn mentor, diensthoofd Echografie, een echolab uit. Ook belangrijk in die periode was de evolutie in de operatieve technieken voor hartkleplijden. Waar een hartklep vroeger enkel vervangen kon worden, werden nieuwe technieken ontwikkeld om kleppen te herstellen. Beeldvorming, en dus echocardiografie, was daarbij cruciaal voor de chirurg.
Maar ook in de cardiologie veranderde er veel?
In alle grote ziekenhuizen in België was er op dat moment een duidelijke trend naar invasieve cardiologie: coronarografie, ballondilatatie en het plaatsen van stents. Ook in ZOL, toen nog het Sint-Jansziekenhuis. In 1992 werd het cathlab opgericht en ontstond er nood aan meer expertise in niet-invasieve beeldvorming.
Zo ben ik in Genk terechtgekomen. Dr. Van Lierde, een jaargenoot van mij, bouwde samen met dr. Vrolix het cathlab uit en contacteerde mij. Zij namen het interventionele luik op zich, ik de beeldvorming.
En zo is echocardiografie in Genk begonnen?
Het was mijn ambitie om in Genk iets gelijkaardigs op te zetten als in de Cleveland Clinic. Maar er waren wel wat hordes te nemen.
In Cleveland beschikte men over de beste apparatuur en goed opgeleide verpleegkundigen en technici. Daarnaast waren er sterke rapporteringsmodules en databases, ook voor wetenschappelijk onderzoek. Dat hadden we in Genk niet. Apparatuur konden we aankopen. Een database opzetten en implementeren lukte ook, al was dat dertig jaar geleden veel arbeidsintensiever dan vandaag. De grootste uitdaging was echter het vinden van opgeleid personeel. Er was geen kennis en ervaring, en er bestond nog geen opleiding. Prof. Van Mieghem, toen diensthoofd Cardiologie, vroeg verpleegkundige Rozette Reyskens om mee te werken. Zij was bereid en via on-the-job training heb ik haar kunnen opleiden. Vrij snel konden we uitbreiden met een tweede en derde medewerker, parallel met de ontwikkeling van het chirurgisch luik voor klephersteloperaties met cardiochirurg dr. Fransen en later ook dr. Van Kerrebroeck.
Welke vernieuwingen zijn er nog op komst?
Niet-invasieve beeldvorming is intussen de standaard geworden. Cardiologen worden vandaag opgeleid in beeldvormingstechnieken en ook de opleiding voor verpleegkundigen en technici is intussen mainstream.
Maar de technologische evolutie staat niet stil. De beeldkwaliteit blijft verbeteren en we staan voor de integratie van artificiële intelligentie. Die software bestaat al, maar is momenteel nog zeer duur en daardoor nog niet in gebruik in ons land voor cardiologische beeldvorming. Ook computermodellen om ingrepen voor te bereiden worden steeds beter. Naarmate procedures minimaal invasiever worden, via een naald, de pols of de lies, wordt voorbereiding met dergelijke modellen steeds belangrijker. Daar ligt zeker nog een belangrijke evolutie.
Wetenschappelijk onderzoek was voor u een late roeping?
De combinatie van klinisch werk en onderzoek heb ik pas echt ontdekt tijdens mijn periode in Boston en Cleveland. Niet tijdens mijn opleiding in Leuven omdat men daar vooral met fundamenteel onderzoek bezig was. Van zodra we in Genk klinisch-wetenschappelijk onderzoek konden doen, onder meer via de samenwerking met UHasselt, ben ik daarin gestapt. Dat is ondertussen meer dan vijftien jaar geleden. We mogen ons in Limburg gelukkig prijzen met UHasselt: een vooruitstrevende en breeddenkende universiteit. Er zijn vandaag niet veel plaatsen waar je bedside klinisch wetenschappelijk onderzoek op hoog niveau kan uitvoeren. Dat blijkt uit de vele doctoraten, presentaties en publicaties aan UHasselt, die internationaal hoog gewaardeerd worden.
U heeft ook wat telemonitoring betreft baanbrekend werk gedaan. Zonder u was de succesvolle app van Fibricheck voor het meten van hartritmestoornissen er nooit geweest.
Ik heb altijd een fascinatie gehad voor digitale technologie en hoe die kan worden toegepast in de klinische praktijk. Vandaag kan een wielertoerist met apps zijn hartritme en calorieverbruik meten en delen. Maar die relevante medische informatie delen met een arts of ziekenhuis, is niet vanzelfsprekend. Wij willen dat klinisch relevante informatie ook buiten het ziekenhuis verzameld kan worden: thuis, op het werk of op vakantie. Helaas volgt het Belgische terugbetalingssysteem hierin nog onvoldoende. Toch proberen we binnen ZOL, en zeker op onze dienst, een evenwicht te vinden en deze evolutie te faciliteren. Door gegevens buiten het ziekenhuis te verzamelen, kunnen diagnoses sneller gesteld worden, behandelingen sneller opgestart en bijgestuurd worden. Dat leidt tot efficiëntiewinsten en een betere kwaliteit van zorg. Bovendien maakt dit personalized medicine mogelijk. Dit wil zeggen een behandeling op maat van de patiënt opstarten, opvolgen en aanpassen in de loop van de ziekte. Voor een hartziekte is dat vaak levenslang.
"In ZOL werken we in een geprivilegieerde context. We beschikken over een patiëntendossier met achterliggend een heel mooie databasestructuur."
Ook op het vlak van data-onderzoek heeft u, samen met de datacel van ZOL onder leiding van Noëlla Pierlet, belangrijke stappen gezet?
Tijdens mijn fellowship in de VS heb ik geleerd hoe belangrijk goede dataverzameling is. Als je klinisch werkt, moet je voldoende kwalitatieve data verzamelen om kritisch te kunnen evalueren of je de gewenste zorg levert. Daarnaast vormen data een enorme bron voor onderzoek. Het belang van goede datacollectie kan niet onderschat worden. In ZOL werken we in een geprivilegieerde context. We beschikken over een patiëntendossier met achterliggend een heel mooie databasestructuur. Dat zal ons in de toekomst nog veel kennis en inzichten opleveren.
Samen met Noëlla Pierlet en het Data Science Team hebben we al innovatief werk verricht, onder meer met het testen van AI-modellen op onze eigen data. Dat is relatief uniek en wordt ons benijd. Het is het resultaat van de constellatie van mogelijkheden en mindset in ons ziekenhuis. Dit alles draagt bij aan een bedrijfscultuur die klinisch onderzoek en technologische innovatie stimuleert. Niet omwille van financiële redenen, maar omwille van de meerwaarde voor de kliniek, de kennis en wetenschappelijk onderzoek.
Wat heeft u in al die jaren geïnspireerd om dit werk te doen?
Ik heb altijd een sterke interesse gehad in wiskunde en fysica, en in de combinatie daarvan met de kliniek. Vooruitgang ontstaat vaak wanneer mensen met verschillende achtergronden samen naar een probleem kijken: ingenieurs, wiskundigen, computerwetenschappers en clinici. Dat idee heeft mij altijd gedreven en ligt ook aan de basis van Future Health, de onderzoekscel van ons ziekenhuis.
Blijft u actief na uw pensioen?
Jonge collega’s nemen mijn taken over, dat is de normale gang van zaken. Dr. Bertrand neemt de beeldvorming over, dr. Nijst het overige van het luik niet-invasieve cardiologie. Maar ik zal nog verder werken. Ik blijf klinisch en wetenschappelijk actief en zal mij blijven engageren waar ik nuttig kan zijn voor onze jonge mensen, klinisch, wetenschappelijk, administratief of strategisch. Ook blijf ik mijn drie doctoraatsstudenten opvolgen, zij het als gastprofessor. Mijn aanstelling als hoofddocent aan UHasselt stopt sowieso met mijn pensioen.