Het Zorgcentrum na Seksueel Geweld bestaat één jaar

Het Zorgcentrum na Seksueel Geweld Limburg bestaat één jaar 

Zopas bestond het Zorgcentrum na Seksueel Geweld (ZSG) Limburg één jaar. In het eerste jaar werden 342 slachtoffers opgevangen. “Het merendeel van de slachtoffers zijn kwetsbare mensen die in veel gevallen de dader kennen,” verduidelijken Liesbet Paulissen en dr. Pieter Jan Van Asbroeck, respectievelijk algemeen en medisch coördinator. “Ons hoofddoel is ervoor zorgen dat slachtoffers op een zo goed mogelijke manier verder kunnen met hun leven.” 

ZSG biedt 24/7 medische, forensische en psychische zorg. Wie dit wenst kan in het ZSG ook een klacht indienen bij de politie. In het eerste jaar werden er 342 slachtoffers van seksueel geweld opgevangen, gaande van verkrachting, poging tot verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit. In 65,5% van de aanmeldingen ging het om verkrachting.  

68,4% van de slachtoffers hebben acuut seksueel geweld meegemaakt en meldden zich binnen de 7 dagen. “Slachtoffers kunnen best binnen de 72 uren naar ons komen, omdat we dan nog stalen kunnen afnemen”, zegt dr. Pieter Jan Van Asbroeck. “We vragen aan slachtoffers die zich onmiddellijk na de feiten aanmelden om zich niet te wassen, niet naar het toilet te gaan, niet te eten of te drinken en kleren aan te houden of mee te brengen”. 

312 van de slachtoffers die zich in het eerste jaar in het ZSG aanmeldden waren vrouwen. De gemiddelde leeftijd van de slachtoffers is 24,9 jaar; het jongste slachtoffer was 2 jaar, het oudste 86 jaar. “We zijn verrast over het profiel van onze slachtoffers”, zegt Liesbet Paulissen. “Veel van onze slachtoffers zijn kwetsbare mensen, mensen met een psychiatrische achtergrond, middelenmisbruik, kinderen uit gebroken gezinnen of opvangcentra... We hebben ook partners, ex-partners, familiaal geweld… Wat sowieso sterk naar voren komt, is dat alcohol of drugs een slachtoffer kwetsbaar maken. Maar het gebeurt misschien ook dat daders hun slachtoffer vooraf intoxiceren”. 

“Het verhaal van de verkrachter die een slachtoffer opwacht en meesleurt naar een donkere plek, is eerder zeldzaam. Zo hebben we er in het afgelopen jaar maar enkelen gehad”, verduidelijkt Liesbet Paulissen verder. “In 77,8% van de gevallen kent het slachtoffer de dader. Het gaat dan om familie, vrienden, kennissen, collega’s… Iemand ontmoeten in een café, op een fuif, een festival of na chatten die uiteindelijk ‘grensoverschrijdend’ gedrag vertoont, wordt hier ook bijgerekend.” 

Hoe vinden slachtoffers hun weg naar het ZSG?
54,4% wordt gebracht door de politie, 18,7 percent komt op eigen initiatief en 26,9 percent is verwezen door een zorgverlener zoals de huisarts, de urgentiearts, de gynaecoloog of de psycholoog. “We hopen dat de meesten ons intussen kennen”, aldus Liesbet Paulissen. “We zijn ons op heel veel plaatsen gaan voorstellen, gaande van scholen, CLB’s, jeugdcentra en -instellingen, (huis)artsen en zelfs serviceclubs. En we doen dit nog steeds. Er was ook pas een nationale campagne om de naambekendheid van de ZSG’s te vergroten.” 
“36,3% van de slachtoffers is minderjarig, meer dan 50% is maximum 20 jaar. Ons publiek is dus nog heel jong. Vandaar dat we veel op middelbare scholen, hogescholen en de universiteit gaan spreken. De eerste vragen die jongeren ons stellen zijn: moeten wij een klacht indienen en gaat u onze ouders inlichten? Het feit dat ze daar zo schrik voor hebben, betekent waarschijnlijk ook dat er nog veel slachtoffers gewoon niet naar ons komen. We zien ook weinig slachtoffers met een geriatrisch profiel. We vermoeden nochtans dat er ook veel ouderen slachtoffer zijn van seksueel geweld.”  

De keuze om al dan niet een klacht in te dienen bij de politie ligt volledig bij het slachtoffer. Uit de cijfers blijkt dat 71,3% van de slachtoffers dit ook effectief doet. Liesbet Paulissen: “Dat is inderdaad een stuk hoger dan de nationale, gemiddelde aanmeldingsbereidheid van 63%. Onze goede samenwerking met de politie speelt hierin zeker een rol”.  
“Nochtans is het verhogen van de aanmeldingsbereidheid van slachtoffers niet ons hoofddoel,” vult dr. Pieter Jan Van Asbroeck aan. “Ons belangrijkste doel is medische en psychologische zorg verlenen. Wij willen vooral dat slachtoffers zo goed mogelijk verder kunnen met hun leven.” 

Om dit mogelijk te maken, wordt ook nazorg voorzien vanuit het ZSG. Van zodra het slachtoffer naar huis gaat, kan het casemanagement opgestart worden, dit wil zeggen dat er opvolging is door forensisch verpleegkundigen. 56,7 percent van de slachtoffers kiest hiervoor. 46% wenst ook psychologische begeleiding door een ZSG-psycholoog. Liesbeth Paulissen: “Omwille van hun kwetsbaar profiel heeft het merendeel van onze slachtoffers al een eigen psycholoog of psychiater. Hier willen wij natuurlijk niet in tussenkomen. Het gebeurt ook vaak dat slachtoffers niet opdagen voor een consult over hun vervolgmedicatie, ondanks onze uitdrukkelijke uitleg over het belang ervan.” 

Hoe verloopt de samenwerking met de andere diensten? 
Dr. Pieter Jan Van Asbroeck: “De samenwerking met de andere artsen uit het ziekenhuis ging al goed van in het begin. Ik denk hierbij aan pediater dr. Wim Arts, infectiologen/geriaters drs. Joris Meeuwissen en Nele Czech (HIV, Soa’s), gynaecologen drs. Tinne Mesens en Caroline Van Holsbeke, gastro-enteroloog dr. Mathieu Struyve (hepatitis),  en tot slot uroloog dr. Thomas De Sutter en psychiater dr. Jef De Bie. Het is fijn om te zien hoe groot het enthousiasme van iedereen nog steeds is om hieraan mee te werken.” 

Liesbet Paulissen: “Ook met politioneel coördinator Bart Ramaekers verloopt de samenwerking goed. Hij is veel aanwezig in het ZSG waardoor we veel vragen kunnen stellen. En bij problemen is hij ook heel snel beschikbaar om dingen te kortsluiten en te regelen voor het slachtoffer zoals bijvoorbeeld een uitgesteld verhoor. Hetzelfde geldt voor onze samenwerking met het parket.”  

Hoe heeft het team het afgelopen jaar ervaren? 
Liesbet Paulissen: “De opstart van het zorgcentrum is echt heel pittig geweest. Leren wat je bij ons allemaal moet doen, is een complex proces met lange leercurve voor de forensisch verpleegkundigen. Dat is omdat je met zoveel dingen moet rekening houden. Je moet het slachtoffer opvangen maar ook stalen etiketteren, foto’s maken en nog veel andere technische dingen. En je mag geen fouten maken, anders is het bewijsmateriaal niet geldig. Maar intussen zijn we zeker op kruissnelheid met ons team.”  

“Er wordt binnen het team ook veel gedebrieft. Tussen Kerstmis en nieuwjaar hebben we een voor iedereen emotioneel heel zware casus gehad. Daar is dagen over gesproken. Je voelt ook dat daar op zo’n moment nood aan is, naast de structurele debriefings die wij voorzien.”  

Hoe ervaar jij zelf de zorg die jullie geven?  
Liesbet Paulissen: “Ik denk echt dat we goede zorg geven. Daar ben ik heel fier op. Iedereen van het team is erg gedreven. En als er ruimte voor is, worden er ook extra’s gedaan. Zo hadden we recent een slachtoffer dat een kledingstuk moest hier laten voor sporenonderzoek en financieel niet sterk genoeg was om dat voor zichzelf opnieuw te kopen. We hebben in het centrum heel wat kleding beschikbaar maar wat zij nodig had, was niet voorhanden. We zijn daarom even voor haar naar de winkel gegaan. Ze was opgenomen in het ziekenhuis en zo konden we haar dit nog bezorgen.”   

Als medisch coördinator had jij de opdracht om voor de opening alle protocols uit te werken. Word jij vandaag nog vaak opgeroepen? 

Dr. Pieter Jan Van Asbroeck: “Als er een medische vraag is, word ik altijd gebeld. Ik ben dag en nacht beschikbaar. De verpleegkundigen volgen het protocol en weten perfect wat ze moeten doen. Indien nodig wordt ook de pediater, de gynaecoloog of de infectioloog opgeroepen. Ik kijk elk dossier na en we bespreken elke casus in het team. Ik ben hier bijna elke dag mee bezig.”