Frederik Ruysch (1638-1731)
Leefde in Amsterdam en was hoogleraar anatomie en botanie aan het Athenaeum Illustre. Hij was bijzonder vaardig in het maken van anatomische preparaten en beschikte over een geheim mengsel om vaten op te spuiten. Met blaasstenen, galstenen, botsekwesters, opgespoten haarvaten en foetale skeletjes knutselde hij ware bloemstukken ineen. Hij verrijkte het museum van Leiden met bijzonder fraaie anatomische preparaten. Op 79 jarige leeftijd verkocht hij heel zijn rariteitenkabinet aan tsaar Peter de Grote voor de som van 30.000 gulden. Het kwam gehavend in Rusland aan omdat de matrozen de alcohol, waarin sommige stukken bewaard werden, hadden opgedronken. Na de transactie begon de rusteloze grijsaard opnieuw een nieuwe verzameling botanische meesterstukken ineen te timmeren die na zijn dood door de koning van Polen (August II) aangekocht werden voor 20.000 gulden.
Een willekeurig preparaat uit de collectie.

Op een fundament van blaasstenen zijn op allegorische wijze skeletjes van foeten neergezet. Bovenaan een 20 weken jonge foetus "wiens knietjes geboogen sijnde, het hoofdje opwaarts gewent, als wilde het den hemel beschouwen" met in zijn hand een botsekwester "waardoor het den ellendigen staat des menschen schijnt uyt te willen drukken". Terzijde een kleinere foetus met in zijn handen een opgespoten arterie en een versteend draadje uit de blaas dat zijn schedel raakt. "aanwijzende de dwalinghe der ontleeders dewelke sustineren dat de opperhoofds en anderen beenderkens van 't hoofd, in die tyd kraakbeenigh zijn, daar se in tegendeel vliesigh zijn". De derde foetus heeft de zwartgekleurde "darmtjens van een onvoldrage vrugtje uyt een schaap" in zijn armen en in zijn hand "de zaadvaten van een manspersoon" onder het motto "'t Eerste uur dat mij 't leven gaf, 't selve heeft mij weder genomen." Aan de voet van de blaassteenrots bekijkt een vierde skeletje het tafereel met in zijn hand een eendagsvliegje als symbool van de vergankelijkheid van het leven. Geheel links een gedroogde tunica albuginea van de testis. Daarnaast het vijfde skeletje met in de hand een haar waaraan een steentje hangt. "'t welk door 't hoesten uyt de longh gelost is". En zo had Frederik Ruysch 30 glazen kasten vol staan.
|